MENU

ANTROPOSOFIE

Lezing door Hans van Meurs over “Antroposofie” op de bijeenkomst van de interkerkelijke werkgroep Bijbel of New Age op  20-1-2001

De antroposofie is zo omvangrijk, dat het onderstaande als een nieuwe eerste aanzet gezien moet worden. In de toekomst hopen we een aantal deelgebieden uit te kunnen diepen. Het onderstaande dient meer als een impressie dan als een nauwkeurig verslag gezien te worden. De techniek liet het afweten, waardoor veel van het gezegde verloren is gegaan.

Voor de hedendaagse mens, die vooral vraagt naar wie hij zelf is, is het van groot belang om een christelijke antropologie te hebben als antwoord  op de antroposofie.

(Opm.: op onze bijeenkomst op 20-6-92 heeft Hans een aanzet tot zo’n christelijke antropologie gegeven.)

De grondlegger van de antroposofie, Rudolf Steiner, was de zoon van een spoorwegambtenaar, en was in zijn jeugd koorknaap in de R.K.- kerk. Op jonge leeftijd had hij een occulte ervaring. Hij “ziet” op een bepaald moment, dat zijn tante is overleden, en achteraf blijken feit en tijd te kloppen.

De wereld van de geest en van de zintuigen moeten volgens Steiner worden samengebracht. Steiner kreeg belangstelling voor wiskunde, als een soort opstap naar de natuurfilosofie. In het innerkosmisch denken van Steiner is geen plaats voor God als Schepper. Het denken zit in de mens èn in de werkelijkheid. Met het denken moet de werkelijkheid te doorgronden te zijn.

In het boek “Antroposofie und Christentum” van Gromm, staat een bijlage, waarin de geloofsbelijdenis van Steiner uit het jaar 1888 staat weergegeven (Credo. Het afzonderlijke en het totaal). De ideeënwereld is de bron van het principe van het zijn. De mens als individu, moet alles wat hem tot afzonderlijk mens maakt, loslaten, en willen, wat de geest, de idee, het goddelijke, wil. Het individuele, het eigene is in het geheel van het wereldgebeuren waardeloos. Het doden van de zelfheid, het eigene, en vervolgens leven in de geest, is de basis van het hogere leven. Die mens leeft in een eeuwig zijn, en is onsterfelijk. De mens moet opgaan in de algemene wereldgeest. Dàt is vrijheid, aldus Steiner. Het lijkt op wat Jezus zegt over het graankorrel, die in de aarde sterft, maar wat Steiner bedoelt verschilt wezenlijk.

In het Christendom gaat het over de verhouding tot God, de Schepper, terwijl het in de antroposofie gaat om de relatie tussen het ik en het natuurgebeuren in een allesomvattend gesloten kosmisch geheel. In het denken van Steiner, dat is beïnvloed door de pantheïst Goethe (die God in de natuur wilde zien), en dat veelal zeer moeilijk te volgen is (bijvoorbeeld onderscheid tussen de wereld van het denken en de wereld van de waarneming/ervaring), bestaat geen Schepper.

De transcendentie wordt opgezogen in de immanentie. Hans gebruikt het beeld van een druipsteengrot, waar zowel stalachtieten als stalachmieten zijn gevormd, en die elkaar tegenkomen binnen het geheel van die grot. Dus of je vanuit van beneden (wetenschap) of vanuit van boven (geloof) redeneert, je komt volgens Steiner uiteindelijk op hetzelfde uit. Steiner is daarom tolerant ten aanzien van godsdienst, omdat godsdienst gewoon in het totale denksysteem zit.

Literatuur.

1.“De gnostisch-occulte vloedgolf” van Stefan van Wersch, waarin een hoofdstuk (V) staat over Rudolf Steiner (pag. 136 tot en 149).

2.“Antroposofie en het Evangelie van Jezus Christus” door dr. J. Verkuyl.

 

©Interkerkelijke werkgroep "Bijbel of New age" -  http://bijbelofnewage.info