Religieus besef en christelijk geloof - Dr. J.H.Bavinck
Lezing door Hans van Meurs op 7-12-1991 voor "Bijbel of New Age"


MENU


J.H. Bavinck leefde van 1895-1964. Hij studeerde aan de VU te Amsterdam, en bekwaamde zich in theologie, psychologie, wijsbegeerte en mystiek, en hun onderlinge verhoudingen. Een ideaal pakket om New Age problematiek te bekijken. Van 1919-1933 was Bavinck missionair predikant in Medan (Sumatra), Bandoeng en Solo (Java). In Solo werkte hij nauw samen met zijn grote vriend Dr. Hendrik Kraemer. Daar schreef hij ook zijn diepgravende boek "Christus en de mystiek van het Oosten". Van 1935-1939 was Bavinck docent aan de Theologische Hogeschool van Yogjakarta. Vanaf 1939 was hij hoogleraar te Kampen en op de VU.

Het boek "Religieus besef en christelijk geloof" dat Bavinck schreef in 1946 op verzoek van gereformeerde jongeren, was Bavincks gave om de ingewikkelde problematiek van de zending in andere culturen op eenvoudige en milde wijze voor jonge mensen duidelijk te maken. Hoewel dit boek bijna 50 geleden werd geschreven is het nog verbazend actueel voor onze tijd.

Uit blz.204-219. Het Oosterse denken is krachtiger en emotio­neler dan het onze. Daar beziet men de wereld als een slagveld van tegenover elkaar staande machten. Het is een denken in tegenstellingen waar alles door wordt beheerst.

Waar men de wereld zó beziet wordt het in stand houden van het evenwicht van al die krach­ten doel van elke (geloofs)daad. Zelfs de doden zijn opgenomen in dat grote balancerende ge­heel. De vorst (of keizer) is de personificatie van deze wereldorde; hij is de drager van het wereldevenwicht.

In China heten deze tegenstellingen Yin en Yang (mannelijk - vrouwelijk, licht - donker, hemel - aarde). Het samenspel van Yin en Yang elementen vindt men overal, en is allesbepalend. Beide machten behoren in even­wicht te zijn; als dat niet zo is ontstaat er strijd, ziekte, chaos.

Op Java beleefde men deze tegenstellingen ook: het brute, onstuimige, demonische enerzijds, en het rustige, beheerste anderzijds. In hun heldendichten en wajangverhalen symboliseren reuzen het brute, en helden het rustige. De helden verslaan de reuzen altijd, maar nooit definitief. De demonen mogen niet worden uitgeroeid, dat zou de balans verstoren.

Deze tegenstellingen in het groot (kosmos) vinden we ook in het klein, in iedere mens (microkosmos). De mens is natuur en kosmos in geconcentreerde vorm. In de mens vinden we zowel de ongeremde harts­tocht als de bezonnenheid van de rede. Ook daar moet een even­wicht in gevonden worden.

Het ikbesef van de mens acht men in het Oosten dan ook als een dwaling: dat is doen alsof de mens iets geheel anders is dan de natuur. De mens, die zijn 'ik' wil handhaven en zijn zelfstandigheid weigert prijs te geven, zal nimmer harmonie vinden en nimmer kunnen opgaan in het 'Al'...

In dit Oosterse denken heeft God geen eigen plaats. Men gelooft wel in een in het heelal inwonende kosmische of 'goddelijke' kracht, die alles draagt en reguleert. Geloof in een persoonlijke God acht men niet onjuist, doch onrijp: een 'voorlopige waarheid'. Wie dieper ziet moet tot de ontdekking komen dat 'het hogere' in alles is, en dat 'goddelijkheid' ook in de mens is, wachtend om ontdekt te worden.

Het oosters denken ziet in de schepping geen doel of richting, maar alles is deel van een cyclus, een kringloop. Het is dag, het wordt nacht en dan weer dag. Er is een tijd van zaaien, dan van oogsten, en dan weer van zaaien. Zo volgen ook leven en dood op elkaar (reïncarnatie).

In verband hiermee ziet men ook in het leven van de mens geen doel of bestemming; dat is de illusie van hen die nog een te sterk 'ikbesef' hebben. Leven is in het Oosten niets anders dan een kort 'zijn', dat onvermijde­lijk gevolgd zal worden door een onbepaald 'niet-zijn'. Wel spreken de oosterse reli­gies van 'verlossing'. Daarmee wordt bedoeld: het (op eigen kracht) bereiken van een zodanig diep inzicht dat men 'opgaat in de godheid', en uit de eeuwige kringloop ontsnapt.

Bavinck betreurt het dat deze oosterse wereld als gevolg van het westers imperialisme zo snel aan het ontbinden is. Dat juicht hij niet toe. Hij roept niet "Hoi, nu kan het Christen­dom hiervoor in de plaats komen"! Want hij vreest dat de oosterse mens, zonder identificatie aan dat ragfijne systeem van evenwichten, zijn houvast zal verliezen. Er zal onrust en onzekerheid komen, en men zal gaan zoeken naar nieuwe vormen om dat verlorene te herwinnen.

Hendrik Kraemer heeft hierover gezegd dat hij bang was dat de Westerse ideologie het Oosten zou platwalsen. Europa heeft dat proces van rationalisme en secularisatie vanaf de Renaissance aan den lijve meegemaakt; dat is ónze cultuur en geschiedenis. Dat is ons westers erfgoed. Maar de mens van het Verre Oosten kwam niet in contact met deze westerse cultuur via een geleidelijk proces, maar botste er van het ene op het andere moment bovenop. Onze machines en ons Evangelie overspoelden die eeuwenoude culturen. Daarop is reactie gekomen. Deze aanvaring heeft in Azië geleid tot een krachtige opleving van Nationalisme (Japan,Indonesië). Waar de religieuze volksverbondenheid werd bedreigd heeft men gegrepen naar een ander samenbindend middel: het nationaal besef. Aan de andere kant hebben de oude religies het dynamische element van het Westen overgenomen, en de behoefte gekregen zich evenzo krachtig te presenteren.

Waar eertijds rust en stilte heerste bruist het nu van onstui­mige energie. Het Hindoeïsme is zich gaan ontwikkelen tot een 'manmaking religion', waarbij krachtig wordt opgeroepen tot geloof in je eigen goddelijkheid. In Japan leidde dat tot militarisme: Japan moest alle vreemde machten overheersen. Een dergelijke vitalisering zien we nu ook gebeuren in de Islam (Fundamentalisme). Men wil zich door de westerse invloeden niet onder de voet laten lopen, maar deze ook niet geheel afwijzen. Het eigen zelfvertrouwen moet worden veiliggesteld tegenover de beschuldiging van Rationalisme en Atheïsme dat alle reli­gies achterhaald en uit de tijd zouden zijn.

Zo hebben de oosterse religies nieuwe vormen gevonden door een deel van het westers denken in te lijven. Jezus Christus en Zijn Evangelie hebben zij doen opsmelten in hun eigen religie. Zo ontstond een soort New Age religie: van alles wat.

Zo hebben deze oude religies teruggeslagen en zich verrassend hersteld: zij hebben Jezus geannexeerd, en Hem vervolgens ondergeschikt gemaakt aan hun eigen religieus systeem. Jezus krijgt wel een plaats, de goeroe citeert voortaan ook uit de Bijbel, maar het systeem houdt de overhand.

Vandaar dat Bavinck veel kritiek heeft op een te oppervlakkige missionering. Dat wreekt zich altijd! Je krijgt dan een assimilatie van Christus en van christelijk denken in de heersende religie. Maar dat is niet genoeg om te komen tot bekering uit overtuiging of tot radicale vernieuwing van denken en doen.

Minder dan ooit is het nu de tijd voor eigen beschouwingen. Veel van onze intellectuelen verdoen hun tijd met het ronddwalen in hun eigen theologietjes en hun eigen ijle speculaties over het goddelijke. Ze pakken uit de bijbelse woor­denschat wat hen te pas komt. En daar wordt niemand rijker van; we worden daar allemaal armer van. Dat is wat wij om ons heen zien gebeuren. Meer dan ooit is het de tijd om klaar en duidelijk de bijbelse boodschap te doen horen! Om een oproep tot radicale bekering te doen: alléén Jezus Christus (1 Cor. 2, 1-2). En om het Woord niet alleen te HOREN maar om er nu ook eens consequent naar te gaan DOEN.

"Christus en de mystiek van het Oosten"

Dit boek van Bavinck uit 1934 is een tophit. Het is en blijft uiterst actueel. Blz.106-111. Vele eeuwen lang heeft het Oosten gepeinsd over de verborgen goddelijke wereld, en daarover vele diepzinnige gedachten opgeschreven. Als je daar dan komt als zendeling of missionaris, dan is het zaak je niet te laten verleiden tot het weerleggen van deze bedenksels met nog diepzinniger be­schouwingen. Je enige opdracht is om Christus te brengen, om alleen te spreken over datgene wat werkelijk groot en belangrijk is: de verzoening tussen mens en God door Jezus Christus. Dat is een moeilijke en vaak ondankbare opdracht. Maar dát is de enige weg tot behoud.

De aanraking met het Oosten dwingt ons om ons meer te bezinnen over het onderscheid tussen datgene wat Gods Woord zegt, in vergelijking met datgene wat het Oosten over 'het goddelijke' zegt. Deze verschillen moeten ons duidelijk voor ogen staan, anders misleiden wij onszelf en anderen. Landen als India en Java hebben een theologie nodig waarin het antwoord op Moham­medaanse en Hindoeïstische mystiek verwerkt is. Dit is zulk verantwoordelijk werk dat heel de Christenheid hierbij betrokken moet zijn. Bij die geestelijke strijd van het Christendom tegen al die speculatieve wereldbeschouwingen van het Oosten is ieder van ons mee betrokken. 

Maar o, wat hebben we hen in de steek gelaten. Zending en missie, o ja, dat is er ook, maar zo ver weg! Maar het is niet alleen de roeping van de weinigen op het zendingsveld, maar zending is voor ons allen een gebod.

Op het eerste gezicht lijkt het verschil tussen Christendom en Oosterse religie niet meer dan een verschil in methode. Het Christendom vraagt geloof in God, terwijl het Oosten God benadert via de meditatie en de extase.

De Oosterling zal zeker toegeven dat de mens óók geloof nodig heeft, maar hij (min)acht geloof als een lagere, eerste stap op de weg om tot God te komen. Zo laat hij ook ruimte voor de goddelijke genade van God om Zich te laten kennen.

Het verschil lijkt zo niet meer dan een accentverschil in de waardering van de geestelijke goederen. Maar er is een veel fundamenteler verschil: in de godbeschouwing. Het Oosten preekt een andere god dan Die, welke ons in Jezus Christus is verschenen. De woorden zijn vaak wel gelijk, maar dekken een andere lading. Ook het Oosten spreekt van God, zonde, genade, verlossing, enz., maar bedoelt daarbij iets anders dan het Christendom. En voor wie dat niet in de gaten heeft ligt hier een onuitputtelijke bron voor verwarring. Het Christendom is nu eenmaal iets unieks, dat niet in mensengedachten is opgekomen. Overal, waar het wordt verkondigd, moet het zich steeds weer verstaanbaar maken in een andere taal. Nergens vindt het een taal klaarliggen, waarin het Woord volkomen zuiver past.

Het Oosterse denken heeft altijd geworsteld met de vraag of God nou 'Iemand' is of 'Iets'. De Oosterse religie is in haar godbeschouwing uitgegaan van de natuur, en heeft daar a.h.w. personen van gemaakt. Maar is God nu Iemand die tegenover mij staat als 'de Ander'? Of is Hij het diepste wezen in alle dingen, ook in mij, zodat ik in feite ook goddelijk ben? Het Oosterse denken kent voor en tegenstanders van beide visies, maar geeft geen duidelijk antwoord op die vragen.

De Islam versterkt deze aarzeling. De Koran spreekt aan de ene kant wel over God als schepper en rechter, als 'de Ander'. Maar haar mystici ervaren dat het diepste wezen van God tevens het diepste wezen van de mens is, en dat de tot verlichting gekomen mens identiek aan God is.

Deze mystieke godbeschouwing heeft zich ten nauwste verbonden met de magie. En in die combinatie ontstaat dan heel dat wazige, wonderlijke geheel van beschouwingen, waarin de mens op eigen kracht god zelf tracht te worden. En waarin aldus de majesteit van de bijbelse God wordt ontheiligd.

De worsteling, die de Christelijke Kerk in het Oosten is aangegaan tegen deze gedachten lijkt zeer veel op de strijd, die de Kerk in de eerste eeuwen heeft gevoerd tegen de mystiek van Hellenisme en Gnostiek. Wij kunnen dan ook zeer veel leren over het wezen van God bij Augustinus, die zelf jarenlang gevochten heeft om uit de betovering van de valse mystiek te komen. Daarom is juist hij zo'n uitnemend voorbeeld en leraar voor ons, die nog midden in die strijd zitten. Voor Augustinus is God de Eeuwige, Onveranderlijke. Die geheel anders is dan de door Hem geschapen dingen.

Je kunt van een mens zeggen dat hij klein of groot is, aardig of onvriendelijk, enz. Als één van deze eigenschappen verandert, dan blijft die mens echter toch mens; zo'n verandering raakt zijn wezen niet. Menselijke eigenschappen hebben ook iets toevalligs. Maar als een wijs mens zijn wijsheid verliest, dan is hij toch nog mens. Zijn wijsheid is een verworven eigenschap.

Zo kun je van God zeggen dat Hij almachtig is, of liefdevol, of rechtvaardig. God heeft die eigenschappen. Maar primair van belang is dat God God is. Dat is Zijn wezen. En Gods eigenschappen zijn één met Zijn wezen. Alles wat God heeft, dat ís hij ook; Hij is de "Ik ben die Ik ben (Exodus 3, 14). De eigenschappen van God zijn Zijn wezen zelf: het is onlosmakelijk 'de almacht Gods', of 'de liefde Gods'. Zijn eigenschappen zijn verworvenheden noch toeval.

Het Oosten leert dat de mens 'vergoddelijkt' als hij al Gods eigenschappen heeft veroverd. Als "Hij in jou" is (eigenschappen kennen), dan ben "jij in Hem" (wezenlijk). Volgens zeggen heeft alleen de mysticus inzicht in de ware aard en eigenschappen van God. Maar iedereen zou moeten opstijgen tot die onbereikbare hoogte om ooit in de godheid te kunnen opgaan.

Bij een mens zijn wezen en eigenschappen altijd twee verschillende zaken. Als daar een is-gelijkteken (=) wordt geplaatst, dan ontstaat er kortsluiting.

Het Christendom leert dat men geen scheiding kan maken tussen Gods wezen en Gods eigenschappen, zoals de Gnos­tiek dat doet. God IS wat Hij HEEFT. En de mens kan nooit boven Gods deugden uitkomen. De Oosterse mystiek meent dat dat wél kan, en put zich uit om de eenheid met het goddelijke te realiseren. De mysticus, die tenslotte in de oceaan van het oneindige opsmelt, verliest daar zowel zijn identiteit als elk gevoel voor deugd en ondeugd. Daarom is de oosterse mysticus zo vaak zo weinig een 'heilig' mens, maar leeft zijn overvolheid van leven uit in losbandig­heid (Baghwan). Eerst moet hij zich houden aan talloze leefregels en normen, tot in het absurde toe. Maar als hij 'goddelijkheid' heeft bereikt wordt hij zichzelf tot norm, en mag hij zo liederlijk leven als hij wil...

Voor de christen is God altijd een Persoon, de Ander, de Heilige, de Recht­vaardige. Die de zonde haat maar de zondáár liefheeft. Nooit kan de mens boven Gods deugden uitklimmen en Zijn wezen aanschouwen. De zondige mens kan geen omgang hebben met de Heilige God. En dat feit dient eerst te worden erkend vóórdat er gesproken kan worden van verlossing.

Juist omdat het Christendom God nooit los denkt van Zijn eigenschappen biedt het zulke sterke wapenen tegen de magie. Magie is de poging van de mens om op eigen kracht het bovennatuurlijke te veroveren, om 'te zijn als God'. Maar het is onmogelijk voor de mens om God te kennen middels een proces van bewustwording of geestverruiming, noch middels de geheime werkingen van de magie. God heeft niet gewild dat wij zó tot Hem zouden naderen. Want dan zouden wij als zondige mensen tóch kunnen verke­ren in de nabijheid van Zijn heiligheid. Maar daar ligt een absolute grens.

Bavinck schrijft niet polemisch; hij wil zolang mogelijk meegaan met het denken van de andere religie. Maar op dit essentiële punt houdt dat op. Er is niet ergens diep in onze ziel een geheim­zinnige poort die toegang geeft tot God en Zijn zaligheid, en die wij alleen maar zouden moeten ontdekken in ons 'zelf'. Een pot kan nooit pottenbakker worden. Evenmin kan de geschapen mens ooit de Schepper Zelf worden.

De zondige mens kan de heilige God niet benaderen. Als er dan ook sprake is van 'verlossing', dan moet het initiatief daarvoor van God uitgaan. Dan moet Hij naar de mens toekomen en zich doen kennen. En dat is nou precies van Jezus Christus heeft gedaan.

Tot slot: Zelden is het verschil tussen Oosters denken en christelijk geloven beter geformuleerd dan door Bavinck. Het is daarom zo jammer dan zijn theologie tegenwoordig als 'geda­teerd' tussen de uitverkoopjes ligt. Bavinck is 'achterhaald', zeggen de moderne theologen, want die man dacht nog in termen van these en antithese....

Reacties

Melchert Dijkstra: Het wordt de Zending vaak verweten dat zij afbreuk doet aan de oude culturen. Vanuit christelijk standpunt gezien treffen wij heidendom aan, en de Zending wil daar een radicale verandering in brengen. Dat betekent ook dat de tot dan bestaande cultuur gedoemd is ten onder te gaan, want die cultuur staat meestal bol van onchristelijke elementen als magie en voorouderverering. En, zo zegt de kritiek, in die culturen zit toch óók iets goeds...

Hans van Meurs: Het waren niet alleen Missie en Zending, maar het was bovenal het westers Imperialisme dat die oosterse cultuur onder de voet liep.

Karel Zuidema: Mensen als Kraemer en Bavinck kwamen op Java geen nieuwe cultuur brengen, maar zij brachten de liefde van Jezus Christus.

Maria Petit: Ik heb zelf in Indonesië op school gezeten bij de nonnetjes, en zij leerden mij Jezus kennen. Er was geen sprake van dat wij onze sarong moesten inruilen voor een jurk. Dat maakte de westerse cultuur er later van. Die vorm van kritiek op Missie en Zending is vaak onterecht.

Fons Joosten: Neem nou eens een eiland als Bali, dat letterlijk wemelt van de magie. Daaromheen zit een enorm ingewikkeld en kleurrijk patroon van handelingen om al die geesten en krachten in balans te houden. Vanuit heel de wereld komen de toeristen om die unieke Balinese cultuur te bekijken. Als je daar met het Christendom komt, dan kan het toch niet anders of die cultuur moet verdwijnen?

Maria Petit: Inderdaad, waar Christus komt moet de magie, ook als cultuurgoed, wijken. Maar de Kerk zal niemand dwingen om een westers pak aan te trekken. Dat zijn twee dingen, die we goed moeten onderscheiden. De ongenuanceerde kritiek maakt dat onderscheid niet.

Hans van Meurs: Bavinck schrijft dat een zendeling of missionaris nooit de plaatselijke goden mag beledigen. Hij zal niet de toverboeken verbranden. Als het Evangelie goed gebracht wordt, dan zullen de mensen dat zélf gaan doen. Een goed zendeling vecht niet tegen een cultuur, hij spreekt mensen aan in hun geweten. Hij preekt de liefde en handelt zelf liefdevol. Maar hij mag niet de tempels van de goden zelf neerhalen.

Jan Mulder: De Wereldraad van Kerken maakt op het ogenblik propaganda voor de gedachte van een universele wereldkerk. De God van de Bijbel en Allah, dat is toch dezelfde God.­..? Als dat zo is, dan hoeven we geen zendelingen meer naar Saoedi Arabië of naar India te sturen. Misschien denken ze daarmee dan die culturen te redden. Maar ik vind dat wel een heel gevaarlijke ontwikkeling.

Martie Dieperink: New Age leert bovendien dat er geen verschil is tussen goed en kwaad, en dat zonde niet bestaat. Dan heb je ook geen verlossing van zonde meer nodig. Waarom zou je dan nog evangeliseren?

Fons Joosten: Er is nog een probleem. Mensen zijn op zoek naar nieuwe (geestelijke) ervaringen. Maar als christen heb je niets anders te vertellen dan dat oude verhaal van Jezus. Straks is het weer Kerstmis, en dan hoor je weer van Stille Nacht, en de herdertjes lagen bij nachte. Dat kennen de meeste mensen wel. Dat is ouwe koek, daar hebben ze genoeg van.

Charles Petit: Veel aanhangers van New Age kennen de christe­lijke begrippen, maar die hebben voor hen een heel andere betekenis. Je kunt dus enorm langs elkaar heen praten. Boven­dien heerst in New Age de arrogantie van 'wij zijn geestelij­ker dan de Christenen', en dat is voor hen een soort verblin­ding. Ze kunnen, ze willen niet meer naar jou luisteren.

Jan van Dijl: Ze hebben geen liefde meer voor de waarheid, om die te leren kennen.

Hans van Meurs: Als westerse cultuur in zijn geheel staan wij er belabberd bij. Het onbevangene hebben we verloren. Maar individueel heeft niet iedereen dat proces doorgemaakt. Jonge mensen staan nog open. Laten we met hen spreken in een zo zacht mogelijke taal, waardoor ze gewonnen worden.

Charles Petit: Het verhaal van Kerst is oud, en komt bij velen als afgezaagd over. Het is daarom de kunst om de geestelijke boodschap, die daarin in, naar voren te brengen als nieuw.

Karel Zuidema: Ik denk dat dat het beste gaat door het zo persoonlijk mogelijk te brengen. Overigens: ik had van Bavinck tot op heden de indruk van een wat stoffige figuur. Maar na wat Hans heeft verteld vind ik hem geweldig!

Zending en catechisatie is een zaak van het hart. Mijn zoon heeft eens een Messiaanse Jood horen preken, en daar had hij meer aan dan jaren op zondag in de kerk zitten. Die man had werkelijk zijn Messias ontmoet, en zijn enthousiasme spóót eruit! Dat maakte een geweldige indruk.

Jan van Dijl: Bij mijn evangelisatiewerk op straat merk ik, dat de mensen Kerstmis en Pasen ervaren als een sprookje. Ik leg de mensen altijd eerst uit hoe wij als schuldige mensen staan tegenover God, wat zonde is, en hoe wij verlossing kunnen krijgen. Zaken waarover ik op catechisatie niets heb gehoord. Daar stonden sociale zaken en politiek centraal. Maar ik had geen besef van schuld. Pas toen ik me daarvan bewust werd, begreep ik ook de grootte van de genade en de liefde van God.

 

©  Interkerkelijke werkgroep "Bijbel of New age" -  http://bijbelofnewage.info