Gnostiek en christendom: -een 'clash' van ervaringen

MENU GNOSTIEK

Gnostiek en christendom: -een ‘clash’ van ervaringen

Door Stefan van Wersch
 

Ik aarzel niet onze tijd aan te duiden als het ‘gnostische tijdperk’.1 Zeker, onze tijd is meer dan dat. Er is veel doodgewoon ongeloof. Er is een nieuwe context met een steeds zichtbaardere islam. Toch is het passend te spreken van een gnostisch tijdperk. 

De enige door de mediasmaakmakers werkelijk gedulde religiositeit is die van het new-agesoort, de moderne versie van het gnosticisme van de Oudheid. Geloven in het goddelijke in jezelf, in kosmische energieën, gnostische evangeliën, aura’s en Char, dat is prima. Geloven in God is echter verdacht. Eng. Misschien is het beste bewijs dat we in een gnostisch tijdperk leven het ongekende succes van een ordinaire gnostische complottheorie als de Da Vinci Code. Godsdienst is verdacht, maar de Da Vinci Code, een smeltkroes van gnostische thema’s en onwetenschappelijke nonsens, gaat erin als koek.  

Afkeer

Bij het woord gnostiek, of new age, denken veel christenen allereerst aan occultisme. Dat is begrijpelijk. Het occultisme is tastbaar. We worden overstroomd met steeds nieuwe occulte ‘hypes’: hekserij, channelling, Jomanda, en nu dus Char. Toch is de kern van de gnostiek, vroeger en nu, een andere. Vanaf zijn ontstaan, opvallend genoeg vlak na het ontstaan van het christendom, is de diepste zenuw een intense afkeer geweest van het idee van een persoonlijke God, die Schepper en Wetgever is. In de godsdienstwetenschap heet dat een ‘theïstische God’.  

Karikatuur

Eigenlijk is er in die eerste eeuw iets ongelooflijks gebeurd. Eerst ontstond vanuit het jodendom het christendom, dat vasthield aan het geloof in de theïstische God van Israël, maar een nieuwe dimensie gaf aan de goddelijke eenheid en de wet. Kort daarna ontstond, ook vanuit het jodendom, het gnosticisme. Het degradeerde de God van Israël tot een dwingeland, die zichzelf wijs maakte de enige God te zijn en mensen het leven zuur maakte. Kortom, een Schepper-God, die ook Wetgever is, is een griezel. Vervolgens werd voor deze tot een karikatuur vervormde Jahweh een alternatieve hoogste God gezocht: God zou samenvallen met het diepste ‘Zelf’ van de mens. Dat de mens zich daarvan niet bewust was, kwam omdat God zichzelf kon ‘vergeten’, en omdat de theïstische nep-God zijn geest verduisterde.  

Zelf god zijn

Het theïsme werd dus verwisseld voor een vorm van pantheïsme (God is niet de Ander, in wezen is alles tenslotte God). Van die nieuwe God had de mens niets te vrezen: de gnosticus, zelf God, is uiteraard autonoom, zijn eigen wetgever. Christus werd voorgesteld als de Boodschapper van die hoogste God. Hij was geen Gekruisigde, geen Verlosser, maar een van de vele lichtwezens die de mens hielpen zijn goddelijke Zelf te ontdekken. 

‘Diepere kennis’

Alhoewel de gnostiek dus in feite het christendom op zijn kop zette, presenteerde het zichzelf als een ‘diepere’ vorm van christendom. De gewone christenen zaten vast aan ‘geloof’ – dorre dogmatiek – maar de gnostici baseerden zich op diepe kennis (‘gnosis’) en ervaring van het goddelijke in zichzelf. Begrijpelijkerwijze leidde de gnostiek tot enorme verwarring. Was de God van Israël de God van Jezus, of juist niet? Was de mens schepsel, of juist niet? Had de mens verlossing nodig, of was hij zijn eigen verlosser?  

Tegen God en zijn wetten

Het is een verwarring van alle tijden. Wat doet de slang in het Genesisverhaal anders dan bij Adam en Eva afkeer verwekken van de theïstische God en zijn wetten (‘God weet dat uw ogen opengaan als u eet van die boom’) en het pantheïsme introduceren (‘jullie zullen gelijk worden aan God’). Dat ik onze tijd ‘gnostisch’ noem, is eerst en vooral omdat de afkeer van theïsme het hart van de cultuur is geworden. In alles mag geloofd worden, behalve in een theïstische God. Die is eng en fundamentalistisch en bedreigt de autonomie van de mens.  

Graven in mijzelf

Occultisme heeft altijd al bestaan. De antieke wereld was doortrokken van magie en waarzeggerij. Gnostiek was echter de eerste religie die al deze losse vormen van bijgeloof integreerde in een groter systeem. Alle occulte praktijken kregen de status van esoterische hulpwetenschappen. Astrologie, spiritisme en magie zijn voor de gnostici geheimleren: ze verschaffen de mens sleutels op zijn weg naar zijn goddelijke ik. Ze maken die weg spannend. Daarmee gaat er van de gnostiek een ongekende suggestieve kracht uit: nog een beetje meer occultisme, nog een beetje meer graven in jezelf, en een bevrijdende, goddelijke topervaring is binnen handbereik.  

Depressiviteit

Ik kan eerlijk zeggen dat ik die suggestieve kracht ooit zelf gevoeld heb, maar gelukkig zonder mijn kritische zin te verliezen. Het werd me al snel duidelijk dat het vooral bij suggestie blijft. De gnostische ervaring is een eeuwige belofte die nooit werkelijkheid wordt. Wat in de gnostische wereld wel heel echt is, is de quasi-diepzinnigheid, het elitarisme en de depressiviteit en psychologische woestenij. In mijn boek ‘De gnostisch-occulte vloedgolf’ (Kok-Kampen, 1990) heb ik laten zien hoe leven en werk van psychiater Carl Gustav Jung zich laten samenvatten als pathologische afkeer van een theïstische God; als occultisme, depressiviteit en quasi-diepzinnigheid achter een rookscherm van pseudo-wetenschappelijkheid. 

Ervaring

Gaat dit artikel nu eindigen in een anti-new-age tirade? Nou nee. Gnostiek en new age zijn voor christenen de ultieme uitdaging, omdat ze ons dwingen de grootst denkbare verwarring te ‘ontwarren’. Dat kan alleen als wij terugkeren naar de wortels van de christelijke ervaring zelf. Gnostici doen graag alsof zij het patent hebben op religieuze ervaringen en het christendom op kille dogmatiek en wetticisme. Een veel eerlijkere beschrijving van de relatie is dat het gaat om een ‘clash of experiences’, een confrontatie tussen heel verschillende ervaringen. Welbeschouwd gaat ook het christendom terug op ervaring, maar een andere. 

Verkeerde effecten

Is het onbegrijpelijk dat de eerste gnostici, waarschijnlijk allemaal joden, stukliepen op de God van de wet? Het lijkt me van niet. Ik denk dat er in de geschiedenis heel wat joden en christenen zijn geweest die meer angst voor God hebben gehad dan liefde. Want als er een wet is, dan kan die overtreden worden en dreigt er straf. Zo’n opvatting kan allerlei verkeerde effecten hebben. Het kan een schuldcomplex in de hand werken, en een leven verzuren met angst voor verwerping. Het kan mensen het gevoel van onvrijheid geven.  

Vóór ons

Ik geloof nog steeds dat vooral Paulus de afkeer van de wet van de gnostici moet hebben kunnen meevoelen. Hij moet in de tijd voor zijn bekering steeds meer vastgelopen zijn in een gevoel dat de God van de 613 geboden en verboden eerder tegen hem was dan voor hem. Zijn hartstochtelijke uitroep na zijn bekering dat God vóór ons is (Rom. 8:31) is allicht de tegenhanger van een vroeger gevoel dat de God van de wet zijn leven onmogelijk maakte, en tegen hem was. 

Liefde

Maar doen alsof daarmee alles over de theïstische God gezegd is, is een gnostische karikatuur. De hele confrontatie van Jezus met de Farizeeërs ging over het juiste begrip van de wet. Jezus schaft de wet echter niet af. De mens is niet autonoom en is God gehoorzaamheid verschuldigd. Maar Jezus brengt de wet terug tot zijn essentie, de liefde, want welbegrepen is liefde de enige gehoorzaamheid die God wil (Matth. 22:37-39). Die boodschap was voor Zijn volgelingen een bevrijdende ervaring. Het hielp Paulus over zijn crisis heen. Later zou hij de essentie van de wet kort samenvatten: ‘Wie zijn naaste bemint, heeft de wet vervuld’ (Rom. 13:8). Wat is er nog over van de gnostische karikatuur van de theïstische straffende God als men in Johannes’ eerste brief leest: ‘Liefde laat geen ruimte voor vrees. De volmaakte liefde drijft de vrees uit, want vrees duidt op straf en wie vreest is niet volgroeid in de liefde’ (1 Joh. 4:18)? 

Zelfliefde

Over liefde gesproken. Als de christelijke en gnostische ervaring op één punt uit elkaar lopen, dan is het hier. De gnostische god is, hoe je het ook keert, een op zichzelf gerichte god. Zijn ‘oerbeweging’ is het zoeken naar zichzelf, en voor de mens ligt de verlossing dan ook in het zoeken naar zijn diepste Zelf, dat samenvalt met die God. God is ten opzichte van de mens geen Ander, geen persoonlijke God. Mensen zijn ten opzichte van elkaar ook niet werkelijk ‘anderen’, want tenslotte is hetzelfde goddelijke ons aller diepste wezen. We zoeken allemaal naar ons Zelf. Als de gnostische god liefde is, dan zou liefde ‘zoeken naar jezelf’ betekenen. De door new age beloofde ervaring klinkt spannend, maar riekt in de praktijk vaak naar narcisme, en dat is geen toeval. 

Radicale gedachte

Christenen denken er vaak te weinig over na wat voor een radicaal nieuwe – en anti-gnostische – gedachte schuilgaat in de nieuwtestamentische uitspraak dat God liefde is (1 Joh. 4:8,16). God, de Ander, geeft niet alleen liefde aan Zijn schepselen, Hij is liefde in zichzelf. Wat te weinig beseft wordt, is dat die ‘ontdekking’ eigenlijk samenvalt met het christelijke geloof in de Drie-Ene God. In Christus hebben de eerste volgelingen ervaren dat er relatie is in God: er is de eeuwige liefde van de Zoon voor de Vader in antwoord op de eeuwige liefde van de Vader, en die wederzijdse Liefde is de heilige Geest, Gods gemeenschap. God is één: Zijn eenheid is Zijn liefde.  

De Ander

Een god die één is in de zin van de islamitische god, kan geen liefde in zichzelf zijn, omdat er voor de schepping niemand was om liefhebben dan zichzelf. De schepping zelf wordt er eigenlijk onbegrijpelijk door, want waarom heeft zo’n god zijn schepping nodig? Wat voegen de gehoorzaamheid en liefde van zijn schepselen toe? In het christendom is er echter die eeuwige oerbeweging van zoeken naar de Ander, in God zelf, en in Christus, het mens geworden Woord van God, die zich tot in lijden en dood geeft voor Zijn schepselen, om die vervolgens mee te nemen in Zijn eeuwige zelfgave terug aan de Vader.  

Triniteit

De christelijke oerbeweging is er geen van zoeken naar zichzelf, maar van zoeken naar de ander. In Christus opgenomen in de beweging van de Drie-Ene God, worden wij werkelijk deelachtig aan de goddelijke natuur (2 Petr. 1:4). Verre van kille dogmatiek was de katholieke worsteling over de formulering van de Triniteit niets meer en niets minder dan de uitwerking van wat de apostelen in de ontmoeting met Jezus ervaren hadden, namelijk dat God liefde is. 

God is Liefde

Benedictus XVI heeft zijn eerste encycliek gewijd aan de God die liefde is. Het is meer dan passend. We leven in een tijd van gnostiek tegen de achtergrond van een opkomende islam. In de gnostiek verdwijnt de godheid onpersoonlijk in de wereld waarmee hij overeenkomt. De god van de islam staat zozeer boven en buiten de wereld, dat hij feitelijk onpersoonlijk wordt en nooit ‘vlees’ kan worden. Liefde is dan ook niet één van zijn 99 namen. In die wereld zullen wij christenen ‘back to basics’ moeten, en de oerchristelijke ervaring moeten verkondigen dat God Liefde is, Drie-Ene Liefde.
 

Drs. S. van Wersch is diplamaat en (godsdienst) historicus. Hij publiceerde over gnostiek, islam en buitenlands beleid. 

Eindnoot: 1. De auteur heeft een boek onder deze titel in voorbereiding.

 

© S. van Wersch 2006 Interkerkelijke werkgroep "Bijbel of New age" -  http://bijbelofnewage.info