
Mensenrechten (deel 2), toetsing aan de
Bijbel
Lezing door Ds. P.W. de Nooy op 16 juni 2001
De inhoud van de mensenrechten is niet nieuw, de Amerikaanse
versie, de Franse versie en de VN versie bouwen allemaal voort op een reeds
eeuwenoude (filosofen) discussie in Europa. Deze discussie, die begon in de
Middeleeuwen, werd veroorzaakt door het vraagstuk van de verhouding tussen vorst
en onderdaan of anders: tussen de burger en z’n regering.
Dit vraagstuk had in Engeland al in de Middeleeuwen geleid tot het ontwerp van
de Magna Charta, dit naar aanleiding van conflicten tussen vorst en onderdanen
aldaar. Het vraagstuk over de verhouding van vorst (regering) en onderdanen
heeft een dieper liggend vraagstuk en dat is naar het wezen van de mens. Het
is een puur filosofisch vraagstuk met praktisch consequenties (een soort
natuurfilosofie). Men stelde de vraag naar de kenmerken van het mens-zijn: Is de mens van nature vrij geboren, zijn alle mensen gelijk, heeft de mens een
overheid nodig om te kunnen samenleven, is het bezit van de mens onaantastbaar
? En dergelijke vraagstukken meer. Deze vraagstukken vormen het fundament van de
mensenrechten (MR) zoals we die nu kennen.
Echter voor de beantwoording van die vraagstukken over de kenmerken/het wezen
van het mens-zijn gingen filosofen als Hume, Hobbes, Spinoza, Erasmus, Hogo de
Groot, Voltaire, Rousseau en anderen op en bijzondere manier te werk. En wel als
volgt: Van begin af aan heeft men zich voor die vraagstukken gewend tot de
gedachtenconstructies over de ideale en oorspronkelijke staat van de mens.
Daarbij greep men niet naar Gods Woord, niet naar de mensen Adam en Eva, maar
men bedacht een van oudsher fictieve samenleving, waarin men veronderstelde dat
de mensen eerst zonder meer bij elkaar leefden en van de jacht en landbouw
leefden. En in die zogenaamde oorspronkelijke samenleving veronderstelde men dat
alle mensen in die samenleving vrij waren en gelijk waren aan elkaar en dat
ieder land in bezit had. Men stelde dat er in zo een samenleving de noodzaak zou
worden gevoeld om een aantal leiders te hebben die voor hen zaken van algemeen
belang zouden regelen. Men was dan in zo een samenleving bereid om iets van z’n
vrijheid en van z’n gelijkheid op te offeren voor die leiders die namens hen
“regeerden”.
Dergelijke filosofische gedachten constructies en vooronderstellingen vormen de
basis voor de huidige mensen rechten. In wezen dus een “sprookje”!
Delen uit de tekst van de Amerikaanse declaration of independence
“ When in the Course of human events, it becomes necessary for one people to dissolve the political bands which have connected them with another, and to
assume among the powers of the earth, the separate and equal station to which
the “ Laws of Nature and of Nature's God entitle them, a decent respect to the
opinions of mankind requires that they should declare the causes which impel them to
the separation.
Vertaling:
Wanneer in de loop van de gebeurtenissen van de mensheid het noodzakelijk wordt
dat één volk de politieke banden losmaakt die het verbinden met een ander volk,
en om zich te voegen onder de machten van de aarde, een afzonderlijke en gelijke
positie, waartoe de wetten van de natuur en van de God van de natuur hen
bestemmen, vereist het een fatsoenlijk respect ten opzichte van de meningen van
de mensheid dat zij de oorzaken die hen tot afscheiding drijven moeten
verklaren/verkondigen.
“equal station to which the Laws of Nature and of Nature's God entitle them,“
Dus een gelijke plaats onder de volkeren zoals de wetten van de natuur en van de
God van de natuur hen toekennen. De vraag is welke wetten van de natuur ? En
welke wetten van de God van de natuur ? Onderscheid is hier tussen de wetten van
de natuur en de wetten van God van de natuur.
Waarom ?
Het begrip “nature” in het engels is: natuur, aard en karakter. Wie is dan
“nature’s God”? We kunnen dit moeilijk vertalen met de God van de aard of het
karakter. We komen dus bij de vertaling de God van de natuur. Maar zo wordt de
Here God, Vader van Jezus Christus niet aangeduid. De Here God is God die de
schepping, waaronder de natuur heeft gemaakt. Dus Hij is niet van de natuur, Hij
is geen natuurgodheid. In de hele Bijbel komt een uitdrukking als “de God van de
natuur” niet voor. De auteur schrijft over de wetten van de natuur, dat is goed
te vertalen met de wetten overeenkomstig de aard van de mensheid en zo ook goed
begrijpelijk. Maar direct volgt er op “and of nature’s God” en dan kan men niet
meer spreken van de God van de aard van de mensheid. Wanneer men dan ook over
nature’s God spreekt bemerkt men hierin een paganistische invloed, in deze
occulte kringen vereert men inderdaad natuurgoden en godinnen en een oppergod
die Zeus of Wodan of een oppergodin die Gaya wordt genoemd. De vraag is of
Jefferson dit bedoelde en of hij beďnvloed is door occulte bewegingen.
“we hold these truths to be self-evident, that all men are created equal, that
they are “endowed by their Creator with certain unalienable Rights, that among
these are Life, “Liberty and the pursuit of Happiness.
Wij beschouwen deze waarheden als vanzelfsprekend, dat alle mensen gelijk
geschapen zijn, dat zij begiftigd zijn door hun Schepper met zekere
onvervreemdbare rechten, waaronder zich bevinden: leven, vrijheid en het nastreven van
geluk.
Commentaar:
“We hold these truths to be self-evident,”
De waarheden die hierna volgen worden door Jefferson als vanzelfsprekend
beschouwd en met hem door vele andere auteurs van zijn tijd en van de tijden
daarvoor. Deze opmerking van Jefferson, die eigenlijk een statement is kan dus
niet als iets nieuws worden beschouwd, hij herhaalt hier eerdere statements door
vroegere auteurs. Toch kan men zich afvragen waar dit op gebaseerd is dat deze
waarheden als vanzelfsprekend gelden. Hierin zit een cirkelredenering, hij noemt
een aantal waarheden op die alleen de status van waarheid kunnen krijgen als ze
dan ook tegelijkertijd vanzelfsprekend zijn, anders zijn het geen waarheden
meer. In de orde van: “dit zijn waarheden en dus van zelfsprekend” en de andere
orde is “deze uitspraken zijn vanzelfsprekend en dus zijn het waarheden.”
De kern van de redenering zit in het begrip “vanzelfsprekend”.
Dit begrip “vanzelfsprekend” veroorzaakt een ietwat psychologisch getinte
reactie bij de lezer. Aangezien het woord vanzelfsprekend een soort
onaantastbaarheid suggereert en de inhoud min of meer “verzegelt”, volgt daaruit
weer dat het ter discussie stellen van die waarden een door anderen ongewenste
en zelfs onbehoorlijke bezigheid is. Volgens de auteur Jefferson en met hem
talloze anderen voor zijn tijd en na zijn tijd zijn deze waarden
vanzelfsprekend. Volgens velen vloeien deze waarden voort uit de aard en het
wezen van het menselijk bestaan in deze wereld.
De waarden van de vrijheid heb ik hiervoor al behandeld bij de bespreking van de
Franse revolutie.
Wanneer we de volgende tekst bezien:
“that all men are created equal, that they are endowed by their Creator with
certain unalienable Rights, that among these are Life, Liberty and the pursuit
of Happiness.”
komen we al direct enige problemen tegen.
De tekst dat de mensen begiftigd zijn door hun Schepper met onvervreemdbare
rechten als leven, vrijheid en het nastreven van geluk, roept de nuchtere vraag
op
wanneer en waar de Schepper deze heeft gegeven.
Men kan dan twee constructies bedenken. Die zijn ten eerste dat God in een
bijzondere openbaring het Amerikaanse volk (of hun leiders) deze rechten heeft
gegeven; of ten tweede dat men indirect uit de Bijbel meent deze rechten te
kunnen afleiden. Maar ook al zou het een openbaring van God zijn of een
indirecte afleiding door mensen uit de Bijbel zijn, dan nog moet dit alles
inhoudelijk stroken met de openbaring van God in de Bijbel. En daar komen we
juist mee in de problemen.
Hierboven bij het hoofdstuk over de Franse revolutie heb ik al aangetoond dat
het begrip vrijheid in de verklaringen van de mensenrechten niet overeenkomt met
het begrip vrijheid in de Bijbel. Zoals ik al aantoonde wordt het begrip
vrijheid in de Bijbel direct gerelateerd aan het geloof in Jezus Christus en is
het absoluut niet in te vullen met vrijheid van godsdienst en vrijheid van
opvattingen enz.
Daarnaast komen we ook het begrip gelijkheid tegen, dit begrip is in deze tijden
verruimd of beperkt tot het begrip “gelijkwaardigheid” wat weer verwijst naar de
waardigheid van de mens.
Ten aanzien van “gelijkheid” zegt Jefferson: “that all men are created
equal,...”
De grondvragen zijn hier: “zijn alle mensen gelijk geschapen ?” en “Wat verstaan
we onder het begrip “gelijk”?
De mensen zijn geschapen door God en Hij heeft hen leven gegeven, de
levendmakende Geest van God, zoals we lezen in Genesis waar Hij de Geest in Adam
blaast. Deze levendmakende Geest van God zet zich voort in ieder mens. We zouden
kunnen zeggen dat alle mensen het levendmakende beginsel van God hebben
gekregen. Dit levendmakende beginsel wat afgeleid is van Gods Geest in Adam is
voor ieder mens hetzelfde, het is in een dichotome wijze aanwezig, het
levendmakend beginsel van God is in de mens of het is er niet meer en dan is de
mens dood. Een tussenvorm van een beetje leven is er niet, ook al beseffen we
dat dit laatste punt een groot probleem vormt bij alle discussies over
euthanasie.
Derhalve is dit levendmakende beginsel van Gods Geest voor ieder mens gelijk.
Wanneer we gaan zoeken naar wat er nog meer gelijk is voor de mens komen we uit
bij de biologische vereisten om als mens te kunnen leven. Dan komen we tot vrij
simpele bevindingen in de vorm van:
--ieder mens heeft uren slaap nodig
--ieder mens heeft voedsel en water nodig
--iedere baby en ieder kind heeft verzorging nodig
--ieder mens heeft een onderdak nodig, etc.
Wellicht kunnen we nog
tot een paar andere basale gelijkheden concluderen, maar we stuiten hier toch al op het probleem
dat die gelijkheden in ongelijke mate nodig zijn om als mens te kunnen leven.
De een heeft weinig slaap nodig, er zijn mensen die willen zwerven van de ene
plaats naar de andere, de voedselhoeveelheid die men nodig heeft is zeer
ongelijk.
Wanneer we dan de abstracte kenmerken van gelijkheid gaan beschouwen, dan valt
ons op dat er al helemaal geen sprake is van gelijkheid. Onder abstracte
kenmerken van het mens-zijn versta ik: liefde, trouw, vriendschap,
arbeidsvoldoening, erkenning, waardering, geloof, veiligheid, actieve
betrokkenheid, vrijheid van meningsuiting, gezelschap, relaties enz.
Al deze aspecten van het mens-zijn zijn in zeer ongelijke mate bij de mens
aanwezig. we weten uit de praktijk dat de een vrijheid van meningsuiting
broodnodig heeft voor zijn/haar ontplooďng en de ander geeft daar niets om. De
een kan niet leven zonder relaties en de ander leeft liever solitair. De een wil
werken de ander heeft daar geen zin in. De vraag dringt zich dan aan ons op “wat
is er dan zo gelijk aan de mensheid?”
We spreken namelijk over algemene aspecten van het mens-zijn die voor ieder weer
zeer verschillend zijn, ieder streeft op een verschillende wijze naar het
vervullen van die aspecten van het mens-zijn die voor hem of haar belangrijk
zijn. Maar daarmee zijn de mensen nog niet gelijk te noemen. Het lijkt er juist
meer op dat hier sprake is van een dwingen tot gelijk-zijn van de mensheid. Door
hen als een soort matrix al die aspecten op te leggen en hen in de gelegenheid
te stellen om die aspecten in hun levens op eigen wijze en in eigen mate te
vervullen. Dan komt men tot het omgekeerde proces dat via de cultuur en de
politiek de mens min of meer wordt gedwongen om die aspecten te verwezenlijken,
waarbij de aard en de mate van de verwezenlijking door de cultuur en de politiek
meer en meer dwingend kunnen worden opgelegd.
Dit opleggen van de vervulling van die aspecten van het mens-zijn zien we aan de
huidige cultuur. De vrijheid van meningsuiting is beperkt tot een politiek
correcte manier van invulling daarvan. Degenen die die vrijheid van
meningsuiting anders willen invullen worden bedreigd met sancties (denk aan de
wetgeving omtrent het anti-discriminatie verschijnsel).
Een ander voorbeeld is de mens die geen intieme relaties heeft wordt als een
enigszins zonderlinge figuur beschouwd. De mens die niet meedoet met de algemene
consumptiedrift wordt als een zonderling beschouwd. De mens die het Woord van
God in Jezus Christus als maatgevend voor zijn leven beschouwt wordt als een
ouderwetse zonderling beschouwd.
De mens die homofiele en lesbische relaties als verkeerd beschouwt kan
gerechtelijk vervolgd worden. De mensheid gaat zelfs zover in haar streven naar
gelijkheid dat men zelfs God de Schepper van hemel en aarde in zichzelf plaatst
en daarbij beweert dat we allemaal een godheid in onszelf hebben. Waarmee de
mens probeert als God te zijn, een aloude dwaling die we ook al in Genesis
tegenkomen.
Kortom ik eindig hiermee met de retorische vraag zijn we als mensen in wezen
gelijk aan elkaar of worden we gelijk gemaakt ?!
“WE, THEREFORE, the REPRESENTATIVES of the UNITED STATES OF AMERICA, “in General
Congress, Assembled, appealing to the Supreme judge of the world for the
“rectitude of our intentions, do, in the Name, and by Authority of the good
People of “these Colonies, solemnly publish and declare, That these United
Colonies are, and of “Right ought to be FREE AND INDEPENDENT STATES; that they
are Absolved from all “Allegiance to the British Crown, and that all political
connection between them and the “State of Great Britain, is and ought to be
totally dissolved; and that as Free and “Independent States, they have full
Power to levy War, conclude Peace,
Derhalve, wij, de vertegenwoordigers van de verenigde staten van Amerika in
general congress bijeen, een beroep doende op de opperste rechter van de wereld
voor de oprechtheid van onze bedoelingen, verklaren en publiceren plechtig in de
naam en door het gezag van de goede mensen van deze koloniën , dat deze
verenigde koloniën vrij zijn en rechtmatig behoren vrij te zijn en
onafhankelijke staten te zijn; dat ze zijn losgemaakt van het verband met de
Britse Kroon, en dat iedere politieke verbinding tussen hen en de staat Groot
Brittannië is en behoort totaal losgemaakt te zijn; en dat zij als vrije en
onafhankelijke staten de volle macht hebben om oorlog te verklaren en vrede te
sluiten,...
Commentaar:
Ze doen een beroep op de opperste rechter van de wereld, maar gehoorzamen ze
deze opperste rechter ook ?
In deze verklaring waarin Jefferson de onafhankelijkheid van het Amerikaanse
volk proclameert, doet hij een beroep op twee vormen van gezag.
Het is een verklaring waarin hij de Opperste rechter van de wereld aanroept en
waarin hij stelt te spreken in de naam van het goede Amerikaanse volk.
Voor al diegenen die twijfelen aan zijn goede bedoelingen doet hij een beroep op
de Opperste rechter van de wereld, de Here God. Met dat beroep op de opperste
rechter geeft hij aan dat hij en de zijnen recht staan of oprecht zijn voor Gods
Aangezicht.
In dit beroep op God ziet hij God als de opperste rechter van de wereld die eens
alles wat de mensen hebben gedaan zal oordelen. Dat lijkt heel plausibel, maar
“degradeert” hij de Here God niet op die manier tot een soort hemelse
scheidsrechter in het spel van de mensen op aarde ? Jefferson vraagt geen zegen
van God over hun onderneming, hij dankt God niet voor het proces van autonomie
waarin ze zich bevinden. Wie is God voor Jefferrson en de zijnen ? Een
afstandelijke God ? Een God die toekijkt en zo nu en dan ingrijpt ? Of bemerken
we hier enige invloed van het Deďsme uit Europa ?
Deze verklaring waarin zijdelings en beroep wordt gedaan op God staat in schril
contrast met de latere ontwikkelingen in Amerika, waarin zeer gelovige en
Bijbelgetrouwe gebieden zijn ontstaan. We denken dan b.v. aan de bekende “Biblebelt”.
Duidelijker wordt het als we verder lezen in deze regels hoe de
onafhankelijkheid wordt gebaseerd op de naam van het Amerikaanse volk en niet in
de Naam van God. Ook hier bemerken we invloed van Europa, namelijk dat
regeringen er zijn voor het volk, door het volk en in de naam van het volk. hij
stelt: “...in the Name, and by Authority of the good People of these Colonies,...”
De legitimatie van deze onafhankelijkheidsverklaring legt hij bij de autoriteit
van het volk. waarbij hij het volk het “goede” volk noemt. wanneer het volk
inderdaad een goed volk is, dan zou men op een rechtlijnige manier geredeneerd
kunnen stellen dat daar dan alleen iets goeds uit kan voortkomen. En dan heeft
men zelfs de grondrechten van de mens niet nodig. Dit laatste kunnen we
betwijfelen gezien de geschiedenis van het Amerikaanse volk qua opvattingen en
leefstijl. Nuchter bezien kunnen we niet spreken van een “goed” volk, maar van
een volk waarin goede en kwade zaken gebeuren. Zolang het fundament van het volk
gelegen was in het algemeen aanvaarden van het Christelijk geloof kunnen we
hooguit stellen dat de beginselen voor deze samenleving goed zijn te noemen.
Alleen indien een volk in z’n totaliteit volkomen handelt overeenkomstig het
Christelijk geloof, is het een goed volk te noemen. Maar in de praktijk is dit
door de aangeboren zondigheid van de mens in het algemeen nooit het geval.
Jefferson eindigt door te stellen dat een volk het recht heeft om vrij en
autonoom te zijn en oorlog kan voeren en vrede sluiten.
Vrijheid ???